020 – 679 99 05         Personeel       Contact

Vakken

Nederlands
Engels
Theater
Aardrijkskunde
Dans
Tekenen
Wiskunde
Biologie
Lichamelijke opvoeding
Frans
Culturele Kunstzinnige Vorming
Handvaardigheid
Geschiedenis en Staatsinrichting
Levensbeschouwelijke vorming

Nederlands
Het schoolvak Nederlands lijkt op het vak ‘taal’ op de basisschool. Ook op het Gerrit van der Veen College besteden we aandacht aan grammatica, (werkwoord)spelling, schrijfvaardigheid, woordenschat en begrijpend lezen. Daarnaast zijn we ook creatief bezig. Tijdens de WoordWeek staat de school in het teken van moeilijke woorden en maken ze bij het vak Nederlands een illustratie bij een moeilijk woord uit het ‘Gerrits woordenschatje’. Fictie blijft ook niet onderbelicht. In het begin van het schooljaar kiezen de leerlingen een leesboek uit en daar maken ze en opdracht bij. Daarnaast lezen we in de winter klassikaal een boek en komt de schrijfster op school. Het laatste boek lezen de leerlingen in het voorjaar. Over dat boek houden de leerlingen een boekbespreking voor de klas. Aan schrijfvaardigheid besteden we ook aandacht. De leerlingen leren creatief én zakelijk schrijven.
Na de basisschool is het niveau van de leerlingen behoorlijk verschillend. We herhalen veel stof van de basisschool en breiden dat snel uit naar meer verdieping. Voor leerlingen die niet goed mee kunnen komen, zijn er steunlessen gericht op begrijpend lezen, werkwoordspelling en grammatica.

Engels
De eersteklassers werken met het boek Real Time van uitgeverij Malmberg. Deze methode vormt de basis voor de lessen. De leerlingen werken t/m hoofdstuk 5, ze krijgen het boek dus niet uit. Hier is bewust voor gekozen. Alle grammatica die nodig is voor leerjaar 2 wordt behandeld. De vaardigheden lezen, luisteren, spreken en schrijven komen per periode aan bod.
Lezen: Dit wordt aangeboden in de vorm van leesboekjes lezen (hoe meer leeskilometers een kind maakt, hoe groter de woordenschat wordt en hoe handiger een kind wordt met tekstvaardigheid) en d.m.v. teksten lezen. De leerlingen leren over leesstrategieën, dit komt overeen met wat zij hierover geleerd hebben op de basisschool.
Luisteren: zij luisteren regelmatig naar fragmentjes behorende bij de methode Real Time. Ook krijgen zij te maken met kijk- en luistertoetsen van Cito. Dit heeft een moeilijker niveau dan de fragmenten uit het boek. Dit vinden wij noodzakelijk omdat de leerlingen zo beter worden voorbereid op het programma in de bovenbouw.
Verder kijken ze regelmatig korte filmpjes over maatschappelijke onderwerpen, passend bij hun leeftijd en niveau. Soms kijken ze naar een grote film waar een verwerkingsopdracht bij hoort.
Schrijven: de kinderen krijgen een paar keer per jaar een schrijfopdrachtje, vaak behorend bij een gelezen boek of gekeken film, soms gaat het om het schrijven van een briefje aan een vriend of vriendin. Het niveauverschil is enorm groot; het ene kind kan moeiteloos een a4-tje vullen met Engels van een hoog niveau, de ander moet veel moeite doen om tien zinnen op te schrijven.
Spreken: We proberen zoveel mogelijk Engels tijdens de les te spreken volgens het ‘doeltaal = voertaal’ principe. We nodigen kinderen uit om ook in het Engels te

praten, sommigen vinden dit erg spannend of moeilijk. Dat maakt niet uit. Het durven vinden we uiteraard belangrijker dan foutloos zijn. We proberen een veilige sfeer te scheppen, waardoor leren in het algemeen en Engels spreken in het bijzonder, goed tot hun recht komen. Grammatica-uitleg is overigens overwegend in het Nederlands. De leerlingen komen binnen op het GVC met verschillende achtergronden op het gebied van Engels. Zoals wellicht bekend besteedt de ene basisschool meer aandacht aan het Engels onderwijs dan de andere. Aan ons de taak om ervoor te zorgen dat ieder krijgt wat hij nodig heeft. Voor sterke leerlingen betekent het dat zij kunnen versnellen door in hun eigen tempo de oefeningen van een hoofdstuk te maken, zodat ze niet hoeven te wachten op de anderen. Ook krijgen zij wat moeilijkere opdrachten ter aanvulling. Ze werken dan bijv. uit Wasp Reporter, een magazine dat gebruikt wordt in de derde en vierde klassen. Over het algemeen vinden ze dat een leuke uitdaging. Voor zwakke leerlingen waarvoor de uitleg en oefening tijdens de les niet genoeg is, bestaat de mogelijkheid tot het volgen van steunles, in een kleine groep.

Theater
Theater is een zoektocht, iedere les opnieuw. De leerling mag verdwalen, moet verdwalen zelfs want zo ontdek je wat je eigenlijk allemaal kan! In de theaterlessen van het eerste jaar wordt gewerkt aan de basisvaardigheden maar wat voorop staat is het spelplezier en het samenwerken met klasgenoten.

Hoofddoelen van het vak theater in het eerste jaar zijn:
1. Ontwikkelen van spelplezier
2. Beheersing van de basis spelvaardigheden.
3. Ontwikkelen van een theatraal bewustzijn.
4. Toetsing van de vaardigheden binnen de lessen.
5. Samenwerking/ samenspel

Het jaar begint met kennismaken met theater. Dit gebeurt door het ontwikkelen van het fysieke bewustzijn, kennismaken met de groep, vertrouwen opbouwen en korte spelopdrachten om spelplezier te ontwikkelen.
Daarna wordt gewerkt vanuit het principe van de 5 W’s.
• Wie speel je
• Wat gebeurt er in een scene
• Waarom onstaat er een bepaald conflict binnen een scene
• Waar speelt de scene zich af
• Wanneer speelt deze scene zich af.

Door het benoemen van de 5 W’s krijgt het spel meer richting en geeft deze informatie houvast bij het spel. N.a.v. spelopdrachten de 5 W’s toepassen. Terugkoppelen van belang 5 W’s in nabesprekingen (recenseren) van een gespeelde scène.

Het 3e lesblok staat in het teken van verbeeldingskracht. Wat is er allemaal nodig, of wat kan je iemand allemaal leren aangaande verbeeldingskracht en waarom?
Verbeelding is een onmisbaar gegeven op het toneel.
Een verhaal vertellen op het toneel is toneelspelen en niet alleen vertellen. De acteur zet zijn instrument in om het publiek mee te voeren te boeien te doen huilen, te doen lachen kortom alles wat hij wil dat het publiek meekrijgt over het verhaal dat hij vertelt/speelt.
Dit moet wel altijd verbonden blijven met de speler zelf! Belangrijk hierbij is
• Hoe zet je je eigen lijf in bij het spelen van een verhaal/gegeven.
• Trainen van concentratie zodat er rust en ruimte is om ook daadwerkelijk de verbeelding zo helder mogelijk over te brengen en op te kunnen roepen.
• Uitdaging vinden bij de spelers om de verbeelding tot grote hoogten te brengen.

Het laatste deel van het jaar staat in het teken van Improviseren waarbij lef, eigenheid, niet nadenken maar doen, samenspel belangrijke elementen zijn.
• Mis èn Scène, bewust worden van het gebruik van de ruimte. Vorm kunnen geven aan een scène.
• Tekst, wat vertelt een tekst? Hoe kan je een tekst die niet van jou is, toch zo geloofwaardig mogelijk uit je mond krijgen? Wat vind je van de tekst?

Aardrijkskunde
Bij het vak Aardrijkskunde in klas 1 zijn we vorig jaar begonnen met een geheel nieuwe lesmethode: Humboldt. En wat voor een methode!
Aardrijkskunde is bij uitstek een schoolvak waarbij meerdere disciplines bij elkaar komen. Zo gaan we in de hoofdstukken 1 en 2 stukjes kennis uit de wiskunde en natuurkunde gebruiken (plaatsbepaling bijvoorbeeld met graden en hoeken). Het Klimaat komt voorbij, het (ook voor Nederland) oh zo belangrijke onderwerp Water. We vergeten ook niet om naar De Mens te kijken, naar bijvoorbeeld verschillen in Arm & Rijk (waarbij stukjes Economie voorbij komen, en ook Geschiedenis).
Minstens net zo belangrijk is dat we zoveel mogelijk proberen een verbinding te leggen tussen de lesstof en de actualiteit. Verkiezingen in de Verenigde Staten? Een aardbeving in Nieuw-Zeeland? We hebben het erover in de lessen. Waar mogelijk besteden we ook aandacht aan persoonlijke belangstelling van leerlingen: vanuit hun achtergrond, vakanties, bijzondere interesses. Dat maakt het vak zo interessant.
Kortom: aardrijkskunde is een wereldvak, zeker in klas 1!

Dans
Loslaten, bewegen, onderzoeken en maken! Dans als sport, dans als vrije expressie, dans als techniek en dans als podiumkunst. De leerlingen maken in het eerste jaar kennis met het allerleukste vak: dans. In dit blokuur onderzoeken en ontdekken wat ons lijf allemaal kan. We ontwikkelen een dansvocabulaire waarbij expressie centraal staat. We leren over de structuur in de dansles en de theatrale concentratie die nodig is voor de dansles. Samen en alleen maken de leerlingen dansen vanuit improvisatie, eigen creatieve inbreng, aangeleerde passen en verschillende danstechnieken. De dansles is niet stijlgebonden, maar het gaat om de algemene dansvorming, waarbij wel verschillende dansstijlen aan bod komen.
Dans is een DOE-vak. De leerlingen doen altijd mee en worden geacht de juiste kleding mee te nemen. Wanneer er acute- en of chronische blessures zijn, wordt er samen met de leerling gekeken hoe zij actief aan de les kunnen deelnemen. Is dit zittend op een kruk, als een extra paar ogen of de leerling noteert wat we in die les behandelen.
Wat is de focus van de dansles hier op school
• Veiligheid: je vrij voelen om te bewegen, ongeacht je kennis over het vak
• Improvisatie: het onderzoeken van je lijf en eigen kunnen
• Samen werken: respectvol met je medeleerling omgaan en materiaal ontwikkelen
• Verbinding: het verbinden van de vakken LO (fysieke gezondheid), Theater (Bewegingstheater) & Muziek (trainen van muzikaliteit)
• Presenteren: hetgeen je geleerd en gemaakt hebt leren presenteren voor een groep
Naast dit alles is er veel ruimte voor eigen inbreng. Bijvoorbeeld het leren van dansen/stijlen die de groep of het individu graag wil leren. We proberen tijdens de dansles even te vergeten dat dit een schoolvak is, maar dat dit een les is waar je even helemaal los kan gaan met anderen, je de focus op jezelf legt en jezelf iets beter leert kenen.

Tekenen
In het eerste jaar gaan de leerlingen op verkenningstocht! De fantasie staat centraal, maar ook waarneming is belangrijk.
De leerlingen krijgen afgebakende opdrachten met daarin als start veelal een huiswerkopdracht, waarin ze een klein onderzoekje doen. Dat onderzoekje bestaat vaak uit het verzamelen van beeldmateriaal, waardoor de leerling geïnspireerd raakt en goed leert kijken in zijn omgeving. Ook oefeningen in technische tekenvaardigheden horen daarbij. In de les worden ze toegepast in de opdrachten, die meestal een thema hebben. Creativiteit en fantasie hebben hierin een hoofdrol. De opdracht “Binnen en Buiten” is een van de bijzondere opdrachten. De leerlingen gaan met kleurtegenstellingen aan de slag: “Wat als je ergens binnen bent – waar dan ook – en het is heerlijk warm, maar…. buiten is het ijskoud!” Hoe ziet dat eruit?

Wiskunde
Wiskunde is een vak dat gebruikt wordt om de wereld in zijn verschijnselen m.b.v. getallen en logisch redeneren te verklaren. Zodoende fungeert wiskunde als hulpvak bij andere vakken zoals natuurkunde, scheikunde, biologie, aardrijkskunde etc. om verschijnselen binnen deze vakken te verklaren.
Het verklaren gebeurt m.b.v. modellen. Deze modellen worden formules genoemd. Met formules kun je ook voorspellingen doen. Om de formules te maken moet je rekenvaardig zijn. Vandaar dat wiskunde ook te maken heeft met rekenen.
Het vak kent een aantal onderdelen namelijk, algebra (rekenen met letters), meetkunde, statistiek en kansen. Daarnaast zijn er verschillende wiskunde vakken in de bovenbouw van havo en vwo namelijk, wiskunde A, B en C. Afhankelijk van het niveau en inzet van de leerling wordt er geadviseerd wat voor wiskundevak gekozen moet worden

Biologie
Biologie is de leer van het leven. In de biologie bestuderen we levende wezens. We kijken daarnaast ook naar de levenloze natuur, omdat deze invloed heeft op de levende natuur. In het eerste jaar behandelen we onder andere de thema’s planten, het ordenen van organismen en zintuigen.
We werken met de methode ‘biologie voor jou’. Dit bestaat uit een handboek met uitleg en een werkboek met opdrachten. We beginnen met handboek 1a en werkboek 1a. Hand- en werkboek 1b gebruiken we later in het schooljaar.
In het handboek staat aan het einde van elk hoofdstuk (thema) een samenvatting van de tekst. Hierin worden leerdoelen benoemd en staat de belangrijkste informatie nog eens weergegeven. Dit is handig bij het voorbereiden van een SO (schriftelijke overhoring) of een proefwerk. Na de samenvatting in het handboek volgt een diagnostische toets: een toets over het hele thema. Hiermee kan de leerling zelf controleren of hij de stof voldoende beheerst.
Opdrachten worden gemaakt in het werkboek. De moeilijke opdrachten worden in principe in de les besproken of gezamenlijk gemaakt. Nakijken doen leerlingen zelf met behulp van antwoordbladen. Leerlingen zullen tijdens de les soms aantekeningen maken of opdrachten doen die niet in het boek staan. Hiervoor hebben zij een schriftje nodig.
Bij het vak biologie is waarnemen heel belangrijk. We gaan aan de slag met het goed kijken naar organismen. Leerlingen tekenen en benoemen wat ze zien. Soms gebruiken we hierbij een microscoop. We oefenen met hoe je met een microscoop werkt. We besteden ook aandacht aan onderzoek doen. Leerlingen gaan zelf natuurwetenschappelijk onderzoek doen en maken hiervan een verslag.

Lichamelijke opvoeding
Een leven lang plezier in sport
Ver weg van de lesbankjes, op de prachtige sportaccommodatie van de VU, wordt heel enthousiast het leukste vak onderwezen: lichamelijke opvoeding. Een enkele keer hebben een paar leerlingen geen zin om in beweging te komen, maar als zij hun lethargie eenmaal hebben afgelegd en opgaan in het spel, verschijnen ook bij hen de blosjes van opwinding en inspanning op de wangen.
Om voldoende rendement uit de lessen te halen werken we meestal in groepen die elk een andere opdracht uitvoeren. Deze manier van werken is alleen maar mogelijk als de leerlingen kunnen oefenen en spelen zonder dat de docent er bovenop hoeft te zitten. Om de leerlingen hierin op te voeden trainen we ze vanaf de eerste les in het zelfstandig sporten.
De eerste tien minuten van de les gaan de leerlingen zelf aan de slag. Dit maakt het mogelijk om sommige leerlingen wat extra aandacht te geven, even iets extra’s met een of twee leerlingen te oefenen of om de klas rustig te observeren. Bijkomend voordeel is dat de leerlingen iedere les tien minuten hun favoriete onderdeel kunnen beoefenen.
Het zelfstandig sporten wordt afgesloten met opruimen en verzamelen in de kring. In de kring wordt nabesproken hoe het zelfstandig werken is verlopen. Dan begint ons deel van de les. We geven aan wat we gaan doen en vooral wat we willen dat ze leren. Vaak refereren we aan de zaken die al goed gingen in een vorige les.
We proberen voor zoveel mogelijk afwisseling te zorgen. Alle domeinen komen aan bod: turnen, atletiek, acrobatiek, spel, zelfverdediging, stoeien. De onderdelen waar we veel aandacht aan willen besteden, sluiten we af met een sporttoernooi of met een atletieksportdag. We streven ernaar om meerdere onderdelen tegelijk of na elkaar aan te bieden. Vaak zijn de leerlingen zelfstandig met een kijkwijzer aan het oefenen. Iedere leerling is de hele les actief, er hoeft bijna nooit iemand op zijn beurt te wachten. Ook leerlingen die door een blessure niet actief mee kunnen doen, worden door ons aan het werk gezet als scheidsrechter, coach of regelaar. Daarom eisen we ook van kinderen die door omstandigheden niet kunnen gymmen, dat zij altijd hun gymspullen bij zich hebben.
We sluiten de les altijd af in een kring en vragen de leerlingen dan naar hun ervaringen tijdens de les. We willen bijvoorbeeld weten of ze de les plezierig hebben gevonden. Heel veel van onze aanwijzingen, interventies en feedback in de les hebben betrekking op sociale omgangsvaardigheden. De afsluiting in de kring leent zich er heel goed voor om nog eens aan de groep duidelijk te maken wat we op dat punt van de leerlingen verwachten. Ook kunnen de leerlingen op dat moment hun gevoelens en meningen kenbaar maken. Voor een volgende les kunnen we daar ons voordeel mee doen.
Als we bijvoorbeeld een zinnetje horen als: ‘De les was vreselijk, want ik heb geen enkele keer de bal gehad’, gaan we kijken hoe we ervoor kunnen zorgen dat dat de volgende les wel gebeurt. De eindkring heeft tevens als doel om de leerlingen rustig en met een goed gevoel naar de volgende les te laten gaan. Vooral de dingen die goed gingen, benadrukken we.

In de bovenbouw gaan we iets anders te werk. Een deel van de lessen verloopt vergelijkbaar met die van de onderbouw. Een ander deel is opgebouwd uit lessenseries van sporten die niet in de onderbouw aan de orde zijn geweest, zoals fitnessen of roeien. We proberen sporten aan te bieden waar ze mogelijk meer van willen weten en willen zo hun interesse voor bewegen stimuleren. Ons motto daarbij is: Working for a lifetime sports attitude.
Om dat te bewerkstelligen willen we onze leerlingen ook buiten de school actief krijgen.
U hebt vast al eens gelezen over de sportclubs en cursussen die we ieder jaar in samenwerking met Topscore organiseren. De leerlingen kunnen op die manier 22 weken extra komen sporten. Zelf bieden daarnaast nog cursussen aan. Deze duren vier tot vijf weken. Dit jaar was de duikcursus erg populair.
Gedurende de middelbare schooltijd zijn er veel pubers die uitgekeken raken op de sport waar ze op de basisschool mee zijn begonnen en gaan op zoek naar andere sporten. Bovengenoemde activiteiten geven hun de gelegenheid om voor weinig geld (€ 10,-) kennis te maken met die andere sporten.
Onderzoek wijst uit dat jongeren die op hun twintigste nog sporten dat veelal hun hele leven blijven doen. Daarom spannen wij ons graag in om uw kind aan het sporten te houden of te krijgen. Regelmatig publiceren we foto’s van onze activiteiten op ons LO-scherm. Via de website kunt u bij rooster daar naar doorklikken en wellicht uw kind betrappen op een uiterst sportieve actie.

Fans
Bonjour! Une nouvelle langue…! Een nieuwe taal! Frans leren. Dat is drie jaar lang een verplicht vak In de brugklas maken de leerlingen je kennis met de Franse taal en leren ze zich te redden in dagelijkse situaties in het Frans: voorstellen, praten over vakantie of hobby’s, over school, etc. Om dit te doen worden er woorden, zinnen en grammatica aangeleerd. Dit wordt ook getoetst. Daarnaast wordt er aandacht besteed aan lezen en luisteren: het begrijpen van het Frans, zowel mondeling als schriftelijk. Er wordt soms een leesboekje klassikaal gelezen en het geleerde wordt ook toegepast in een in bijvoorbeeld een schrijfopdracht. Dat kan zelfs het maken van bijvoorbeeld een Frans stripverhaal zijn!
Mocht er tijd over zijn, dan bekijken we nog enkele Franse Zo leren ze direct ook meer over Frankrijk! C’est magnifique!
! We werken in de onderbouw van het GVC met de methode Grandes Lignes van Noordhoff Uitgevers.

Culturele Kunstzinnige Vorming
Er is heel veel kunst in de wereld: literatuur, architectuur, design, beeldende kunst, muziek, theater en (nieuwe) media. In de CKV-lessen laten we de leerlingen kennismaken met allerlei kunstuitingen. Door te kijken, te luisteren, na te denken, te praten en door kunst te maken, leren de leerlingen kunst en kunstenaars langzamerhand meer begrijpen en waarderen.

De uitgangspunten daarbij zijn:
• van waarnemen tot waarderen
• van speels tot reflectief.

Handvaardigheid
In het eerste jaar beginnen we met een laagdrempelige opdracht. De fantasie, de waarneming en aanleren van technieken staan centraal om tot een ruimtelijk werk te komen.
De leerlingen krijgen afgebakende opdrachten, waarin als huiswerk vaak een klein onderzoekje zit of een voorbereiding op de opdracht. De vertaalslag van plat naar ruimtelijk, het gebruik van de juiste gereedschappen en de kennismaking met diverse materialen vormen de basis voor dit leerjaar.
De architectuur- opdracht is een voorbeeld van zo’n opdracht : “Stel je voor, je bent architect en gaat een huis ontwerpen, maken, en verkopen: hoe doe je dat?” Stap voor stap worden de leerlingen bij dit hele proces begeleid door de docent.

Geschiedenis en Staatsinrichting
Geschiedenis is het mooiste vak dat er is. Geschiedenis is een verhaal; het verhaal van de mens en zijn cultuur. Het laat ons zien hoe andere mensen in andere tijden en andere culturen dachten en leefden. Maar het laat ons zo ook zien wie we zelf zijn, en waarom we zo zijn. Het laat ons zien waarom we denken zoals we denken. Inleving in andere tijden en andere mensen is een belangrijk onderdeel van ons vak. Inhoudelijk kan je in de brugklas van alles verwachten: We beginnen met de geschiedenis van Jagers-Verzamelaars en Boeren. Daarna bestuderen we de Grieken en Romeinen, vervolgens gaan we naar de Middeleeuwen van Karel de Grote en we eindigen het jaar met de geschiedenis van Koningen, Kastelen, Ridders en Kruistochten en de Renaissancestad Florence.
Daarnaast staat bij het vak het bestuderen van bronnen centraal: de bronnen (informatie) uit de tijd zelf laten het beste zien hoe die tijd in elkaar stak. Daar besteden we dus behoorlijk veel aandacht aan.
Ons boek heet Feniks: Geschiedenis voor de onderbouw.

Levensbeschouwelijke vorming
Levensbeschouwing wordt gegeven aan de hele onderbouw, behalve aan de dansklassen, die vrijstelling hebben. Er wordt niet gewerkt met een vaste methode, maar met door o.a. de docent ontwikkeld materiaal, opdrachten en toetsen. Grofweg kun je levensbeschouwing in twee delen opsplitsen:

1. Leerlingen leren de basisbeginselen en de ontwikkeling van de vijf wereldgodsdiensten en de ontstaansgeschiedenis van het fenomeen godsdienst in het algemeen:
• natuurgodsdiensten, hindoeïsme en boeddhisme (in de brugklas)
• christendom (schepping versus evolutietheorie, Adam en Eva en gelijkheid man/vrouw, Noach, Abraham (de Abrahamitische godsdiensten, relatie jodendom/christendom/islam) Mozes (de wetten), Jezus en de boodschap/verspreiding christendom, de invloed van het joods-christelijke erfgoed op onze manier van denken en leven en opvoeding. (in de tweede klas)
• jodendom en islam (derde klas)

2. Leerlingen leren om hun godsbeeld te ontwikkelen en na te gaan wat levensvragen zijn en welke antwoorden zijzelf en hun omgeving daarop geven. Zij leren een relatie te leggen tussen geloven en kunst (verbeeldingskracht) en daar een individuele vorm voor te vinden om die uit te drukken. Door middel van schrijf- en onderzoeksopdrachten verkennen en vergelijken ze de moraal van hun tijd met die van hun ouders en grootouders. Klassikaal worden die bevindingen uitgewisseld en worden discussies gevoerd waarbij leerlingen van elkaar leren. Centraal bij dit deel van het vak levensbeschouwing staat het motto “Denken, zoeken, twijfelen.”

Daarnaast is er ruimte voor projecten. Twee jaar geleden had ik subsidie aangevraagd (Woltjer) om met alle tweede klassen naar het Joods Kwartier te gaan. Afgelopen jaar kwam de Anne Frank Stichting een pilot van een nieuw project testen in onze derde klassen. De derde klassen voeren elk jaar het project “The Walk” uit, waarbij gasten van buiten school (theatermakers, mensen van joodse instanties) meelopen.

Stagiaires nemen een belangrijke plaats in in dit vak. Vorig jaar kregen de leerlingen op die manier extra gastlessen over humanisme. Dit jaar staan extra lessen over de islam op het programma. De docent en Emil Pepic verzorgen regelmatig een les over de Israelisch-Palestijnse kwestie.